Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Westvoorne
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017
CiteertitelVerordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. art 228a gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-01-2017 n.v.t. Onbekend 20-12-2016 GVOP/Weekblad Westvoorne 143564/143637

Tekst van de regeling

Raadsbesluit 2016

Nr. 143564/143637

De raad van de gemeente Westvoorne;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november 2016;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

B E S L U I T:

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2017.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  1. a.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  2. b.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  3. c.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.

  4. d.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater;

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  1. a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  2. b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

  1. 1.

    De belasting wordt geheven:

    1. a.

      van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

    2. b.

      van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

  2. 2.

    Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  3. 3.

    Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

    1. a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    2. b.

      ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft af- gestaan.

Artikel 4. Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één eigendom worden aangemerkt.

Artikel 5. Maatstaf van heffing

  1. 1.

    Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per eigendom.

  2. 2.

    Het gebruikersdeel wordt geheven naar omvang van het huishouden en het aantal kubieke meters water dat vanuit het eigendom wordt afgevoerd.

  3. 3.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leiding- water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  4. 4.

    De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd, wanneer kan worden aangetoond middels een meter voor de afvoer wat daadwerkelijk is afgevoerd.

Artikel 6. Belastingtarieven

  1. 1.

    Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt:

    1. a.

      voor een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan: € 238,56

    2. b.

      voor garageboxen: € 0,00

  2. 2.

    Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor woningen:

    1. a.

      bij een waterverbruik van 300 m3 of minder; bij een éénpersoonshuishouden € 89,22 bij een meerpersoonshuishouden

      € 98,50

    2. b.

      wanneer het waterverbruik meer dan 300 m3 is wordt het tarief per 300 m3 of een gedeelte daarvan verhoogd met € 107,96

  3. 3.

    Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor panden welke niet in hoofdzaak als woning zijn bestemd:

    1. a.

      bij een waterverbruik van 300m3 of minder € 98,50

    2. b.

      voor iedere volgende 300 m3 of een gedeelte daarvan: € 107,96

    3. c.

      voor het gedeelte boven de 50.000 m3, voor iedere 300 m3 of gedeelte daar- van € 53,98.

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  1. 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is bij de aanvang van de belastingplicht.

  2. 2.

    Indien de belastingplicht voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog kalendermaanden overblijven. Wanneer de belastingplicht voor de 16e van de maand aanvangt is de belasting voor de volledige maand verschuldigd, vanaf de 16e van de maand met ingang van de volgende maand.

  3. 3.

    Indien de belastingplicht voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan

    € 4,50. Eindigt de belastingplicht voor de 16e van de maand is deze maand niet verschuldigd, vanaf de 16e van de maand eindigt de belastingplicht met ingang van de volgende maand. 4. Belastingbedragen van minder dan € 4,50 worden niet geheven.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  1. 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aansla- gen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  2. 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt in geval het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing of andere heffingen meer is dan € 45,- en minder is dan € 3.500,- en er een machtiging tot automatische incasso is afgegeven, dat de aanslagen moeten worden betaald in negen gelijke termijnen, waar- van de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  3. 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in lid 1 en 2 gestelde termijnen.

Artikel 11. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting.

Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.

    De "Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2016" van 15 december 2015 wordt ingetrokken, met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  2. 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na die van de bekendmaking.

  3. 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.

  4. 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening rioolheffing 2017".

.

Sluiting

Aldus besloten in de openbare vergadering

van 20 december 2016

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

Raad in beeld

U kunt zowel de gemeenteraadsvergaderingen als de commissievergaderen live thuis volgen.

U kunt vergaderingen raadplegen.

Daags na de vergadering kunt u de opname terugkijken via de audio/video-player.

Zodra een vergadering is verwerkt tot een digitaal verslag kunt u de vergadering op agendapunt- en sprekerniveau raadplegen.

Representatie BenW

Representatielijst college

Organisatie
U bevindt zich op: Home > Organisatie > Verordeningen