Verordening maatregelen en boeten WWB, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Westvoorne
Officiële naam regelingVerordening maatregelen en boeten WWB, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013
CiteertitelVerordening maatregelen en boeten WWB, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerp
Eigen onderwerpMaatregelen WWB, IOAW en IOAZ en recidive van boete

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. art 8 lid 1 onder b WWB en artikel 35 lid 1 onder b IOAW/IOAZvoor wat betreft de maatregelen + Art 18a lid 5 WWB en artikel 20a IOAW/IOAZ voor de recidive van de boete.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-07-2013 n.v.t. Nieuwe aangescherpte maatregelverordening en nieuwe verordening over omgang van recidive in geval van boete. 25-06-2013 Weekblad Westvoorne 73600

Tekst van de regeling

Artikel

Raadsbesluit 2013

Nr. 73600/76459

De raad van de gemeente Westvoorne;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 mei 2013

B E S L U I T:

  1. 1)

    Per 1 juli 2013 vast te stellen: “Verordening maatregelen en boeten Wwb, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013”.

  2. 2)

    Per 1 juli 2013 in te trekken: “Maatregelenverordening WWB”en de Maatregelenverordennig IOAW/IOAZ 2010.

Verordening maatregelen en boeten Wwb, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

  1. Artikel 1. Begripsbepalingen

    1. 1.

      Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

    2. 2.

      Deze verordening verstaat onder:

      1. A.

        de wet: de Wet werk en bijstand;

      2. B.

        Wet Suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

      3. C.

        Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

      4. D.

        college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westvoorne;

      5. E.

        bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de WWB of de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW of IOAZ;

      6. F.

        plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie: de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de WWB, artikel 37 eerste lid van de IOAW/IOAZ;

      7. G.

        arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a van de WWB, of artikel 34 eerste lid onderdeel a van de IOAW/IOAZ;

      8. H.

        tegenprestatie: het naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;

      9. I.

        inlichtingenplicht: de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de WWB, artikel 13 eerste lid van de IOAW/IOAZ, artikel 38 tweede lid van het Bbz, artikel 30c tweede of derde lid van de wet Suwi;

      10. J.

        medewerkingsplicht: de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de WWB, artikel 13 tweede lid IOAW/IOAZ;

      11. K.

        nadere verplichting: de op grond van artikel 55 van de wet individueel bij beschikking opgelegde verplichting;

      12. L.

        overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid: gedragingen als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, of artikel 20 tweede lid van de IOAW/IOAZ niet zijnde de gedragingen die vallen onder schending van de verplichtingen onder G, H, I of J van dit artikel, waardoor eerder of een hoger beroep op de bijstand wordt gedaan;

      13. M.

        zeer ernstige gedragingen: het op een dusdanige wijze bejegenen van het college, dan wel personen die in diens opdracht de wet uitvoeren, dat deze zich op een fysieke en/of psychische wijze bedreigd voelen. Dit is krachtens artikel 18, tweede lid, van de WWB of artikel 20 tweede lid van de IOAW/IOAZ een bijzondere vorm van het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen;

      14. N.

        maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van WWB en artikel 20 lid 2 IOAW of IOAZ;

      15. O.

        benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat door schending van de inlichtingenplicht of overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aan uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

      16. P.

        voorziening: een re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de wet, een inburgerings- of taalkennisvoorziening als bedoeld in de artikelen 19, derde lid en 24a, derde lid van de Wet inburgering alsmede een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

      17. Q.

        plan van aanpak: een door of namens het college opgesteld document als bedoeld in artikel 44a Wwb waarin de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven daarvan zijn opgenomen.

    Hoofdstuk 2: Maatregelen

  1. Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

    1. 1.

      Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, IOAW of IOAZ voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet, niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

    2. 2.

      Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, en kan derhalve afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.

    3. 3.

      De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm(WWB) of de grondslag (IOAW/IOAZ), tenzij:

      1. a.

        aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet;

      2. b.

        de verwijtbare gedraging in relatie tot het recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag aanleiding geeft de maatregel toe te passen op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, waaronder begrepen de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen.

    4. 4.

      In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

  1. Artikel 3. Afzien van het opleggen van een maatregel

  2. 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    1. a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    2. b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering door het college heeft plaatsgevonden.

  3. 2.

    Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Het besluit hiertoe wordt gelijkgesteld aan een besluit tot opleggen van een maatregel. Aan de belanghebbende wordt hiervan schriftelijk mededeling gedaan.

  1. Artikel 4. Ingangsdatum en tijdvak

  2. 1.

    Een maatregel wordt steeds voor een bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

  3. 2.

    De maatregel wordt bij aanvang van de uitkering opgelegd per datum toekenning van de uitkering en bij een lopende uitkering met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm en/of grondslag IOAW/IOAZ en/of van toepassing zijnde periodieke bijzondere bijstand.

  4. 3.

    Indien de opgelegde maatregel niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van het feit dat in de betreffende periode reeds een maatregel wordt toegepast, wordt (het restant van) de maatregel op een later tijdstip ten uitvoer gelegd.

  5. 4.

    Indien de opgelegde maatregel niet ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van beëindiging of intrekking van de uitkering wordt (het restant van) de maatregel alsnog ten uitvoer gelegd indien de belanghebbende binnen een termijn van twaalf maanden na bekendmaking van het besluit tot beëindiging of intrekking, opnieuw een uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan op grond van WWB of IOAW/IOAZ ontvangt.

  6. 5.

    In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, indien en voor zover de gedraging waarop deze betrekking heeft in het verleden heeft plaatsgevonden.

  7. 6.

    In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand.

  8. 7.

    In afwijking van het eerste lid, wordt een maatregel die betrekking heeft op de verstrekking van incidentele bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag tot uitdrukking gebracht in een verlaging van het toegekende bedrag of in afwijzing van de bijstand of langdurigheidstoeslag.

  1. Artikel 5. Samenloop van gedragingen of maatregelen

  2. 1.

    Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging die schending oplevert van meerdere in dit hoofdstuk genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van de verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.

  3. 2.

    Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen die aanleiding geven tot een maatregel, worden voor de afzonderlijke gedragingen aparte maatregelen opgelegd, welke op hetzelfde tijdstip kunnen aanvangen.

  4. 3.

    Indien gelijktijdige tenuitvoerlegging als bedoeld in het tweede lid zou leiden tot een verlaging met meer dan 100%, wordt de maatregel als volgt geëffectueerd:

    1. a.

      een verlaging van 100% van de uitkering voor het aantal maanden dat de opgetelde maatregelen meer dan 100% bedragen, en

    2. b.

      aansluitend een verlaging ter hoogte van het resterende percentage.

  5. 4.

    Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 IOAW of

    artikel 20 lid 2 IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en deze gedraging die tot deze

    weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot het opleggen van

    een maatregel zou kunnen leiden, blijft een maatregel ter zake van die gedraging

    achterwege.

  1. Artikel 6. Horen van belanghebbende

  2. 1.

    Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  3. 2.

    Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

  4. a.

    de vereiste spoed zich daartegen verzet;

  5. b.

    de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn

    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of

    omstandigheden hebben voorgedaan;

    c.het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van

    c. de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 7. Categorie-indeling

Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt een algemene categorie-indeling gehanteerd.

Hierbij is de combinatie van de ernst van de gedraging, de mate waarin herstel van de gewenste situatie mogelijk is alsmede het financiële nadeel van de gemeente het onderscheidend criterium.

  1. 1.

    Categorie 1: als lichte gedraging wordt aangemerkt:

    1. a.

      het niet inschrijven als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of de inschrijving niet tijdig verlengen;

    2. b.

      het niet of in onvoldoende mate mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling, zonder dat als gevolg daarvan de arbeidsinschakeling is belemmerd;

  2. 2.

    Categorie 2: als middel zware gedraging wordt aangemerkt:

    1. a.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie, waaronder begrepen het niet verschijnen op een oproep in het kader van de re-integratie;

    2. b.

      het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, of het niet of in onvoldoende mate naleven van de verplichting als bedoeld in artikel 7, eerste lid Wet inburgering, voor zover de gedraging niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van de voorziening;

    3. c.

      het niet of in onvoldoende mate verrichten van inspanningen gedurende de zoektijd als bedoeld in artikel 41, vierde lid van de WWB, indien en voor zover geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13, tweede lid onderdeel d van de WWB;

    4. d.

      het niet of in onvoldoende mate nakomen van de tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de WWB en artikel 17 tweede lid sub f IOAW/IOAZ;

    5. e.

      gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling belemmeren;

    6. f.

      het voorafgaand aan de bijstand of gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    7. g.

      het niet of in onvoldoende mate nakomen van een nadere verplichting, voor zover herstel van de gewenste situatie nog mogelijk is;

    8. h.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar het recht op bijstand, waaronder begrepen het niet verschijnen op een oproep in het kader van de verlening van bijstand;

    9. i.

      overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid waarvan het benadelingsbedrag niet is vast te stellen dan wel maximaal € 2.500 bedraagt;

    10. j.

      het zich tegenover het college of zijn medewerkers zeer ernstig verbaal misdragen in de vorm van schelden, het doen van beledigende en/of discriminatoire uitlatingen.

  3. 3.

    Categorie 3: als zware gedragingwordt aangemerkt:

    1. a.

      het weigeren of door eigen toedoen niet behouden van een door het college aangeboden voorziening, niet zijnde een Work First voorziening, alsmede het door eigen toedoen niet binnen de gestelde termijn behalen van het examen van een aangeboden scholingsvoorziening in het kader van de arbeidsinschakeling en/of de inburgering;

    2. b.

      het als gevolg van houding en gedragingen van de alleenstaande ouder intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht op grond van artikel 9a vijfde lid WWB of artikel 38 eerste lid IOAW/IOAZ;

    3. c.

      het niet verschijnen op een sollicitatiegesprek, dan wel het zich tijdens dit gesprek zodanig gedragen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hierdoor geen concreet baanaanbod volgt;

    4. d.

      het weigeren medewerking te verlenen aan een nadere verplichting;

    5. e.

      overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid met een benadelingsbedrag van € 2.500 tot € 5.000;

    6. f.

      het zich tegenover het college of zijn medewerkers zeer ernstig misdragen in de vorm van het uiten van bedreigingen of zaakgericht fysiek geweld.

  4. 4.

    Categorie 4: als zeer zware gedragingwordt aangemerkt:

    1. a.

      het in de periode voorafgaand aan de bijstand of gedurende de bijstand weigeren of door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen arbeid in deeltijd;

    2. b.

      het weigeren of door eigen toedoen niet behouden van een door het college aangeboden Work First voorziening;

    3. c.

      overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid met een benadelingsbedrag van € 5.000 of meer;

    4. d.

      het zich tegenover het college of zijn medewerkers zeer ernstig misdragen in de vorm van mensgericht fysiek geweld.

  5. 5.

    De maatregel bedraagt in de categorie:

a.lichte gedraging:

Schriftelijke waarschuwing

b.middel zware gedraging:

30% van de bijstandsnorm gedurendeéén maand;

c. zware gedraging:

100% van de bijstandsnorm gedurendeéén maand;

d.zeer zware gedraging:

100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

  1. Artikel 8. (Meervoudige) recidive

  2. 1.

    Indien de belanghebbende binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel krachtens de WWB of IOAW/IOAZ is opgelegd of is afgezien van het opleggen van een maatregel op grond van een dringende reden dan wel een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 7, vijfde lid onder a, heeft ontvangen, zich opnieuw schuldig maakt aan een gedraging uit dezelfde categorie, dan wordt de maatregel verzwaard.

  3. 2.

    De maatregel bedraagt bij een 1ste recidive in de categorie:

a.Lichte gedraging:

30% van de bijstandsnorm gedurendeéén maand;

b.Middelzwaar gedraging:

100% van de bijstandsnorm gedurendeéén maand;

c.Zware gedraging:

100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;

d.Zeer zware gedraging:

100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden.

  1. 3.

    Indien de belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het tweede lid wederom schuldig maakt aan een gedraging uit dezelfde categorie, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, waarbij de maatregel op grond van het tweede lid geldt als een minimum.

  2. 4.

    In afwijking van het tweede en derde lid, kan het college met toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel d van de WWB overgaan tot het intrekken van het recht op algemene bijstand, indien en voor zover uit houding en gedragingen van de jongere tot 27 jaar ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid of artikel 55 van de WWB niet wil nakomen.

  3. Hoofdstuk 3: Boeten

  1. Artikel 9. Verrekenen recidiveboete

  2. 1.

    Indien belanghebbende niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inlichtingenplicht en sprake is van recidive als bedoeld in artikel 18a, het vijfde lid van de WWB of artikel 20 vijfde lid IOAW/IOAZ, verrekent het college de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.

  3. 2.

    In afwijking van het eerste lid, geldt voor belanghebbende met ten lasten komende kinderen, wiens bezit tenminste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, dat het college de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet verrekent.

  4. 3.

    In afwijking van het tweede lid geldt dat, indien het bezit van de belanghebbende, met zijn ten laste komende kinderen niet ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, het college de recidiveboete verrekent:

    1. a.

      gedurende één maand zonder toepassing van de beslagvrije voet; en

    2. b.

      aansluitend op de verrekening als bedoeld in onder a, de daaropvolgende twee maanden op dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 50% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  5. 4.

    De verrekening als bedoeld in het eerste en tweede lid vindt plaats gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd,

Artikel 10. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes

De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid van de WWB of artikel 20 a eerste lid van de IOAW/IOAZ , indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11. Uitvoering van deze verordening

De uitvoering van deze verordening berust bij het college.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard.

  1. Artikel 13. Citeerwijze en inwerkingtreding

  2. 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening maatregelen en boeten Wwb, IOAW en IOAZ Westvoorne 2013”.

  3. 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2013; met ingang van deze datum worden de “Maatregelenverordening WWB” en de “Maatregelenverordening IOAW/IOAZ 2010” ingetrokken.

Aldus besloten in de openbare vergadering

van 25 juni 2013

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

Raad in beeld

U kunt zowel de gemeenteraadsvergaderingen als de commissievergaderen live thuis volgen.

U kunt vergaderingen raadplegen.

Daags na de vergadering kunt u de opname terugkijken via de audio/video-player.

Zodra een vergadering is verwerkt tot een digitaal verslag kunt u de vergadering op agendapunt- en sprekerniveau raadplegen.

Representatie BenW

Representatielijst college

Organisatie
U bevindt zich op: Home > Organisatie > Verordeningen